Tuindieren voor dieren: Vogels

terug

De veren van vogels
De snavelvorm van vogels
Waarom zingen vogels?
Vogeltrek
Wintervoedering van vogels
Voedertafels voor vogels
Drink- en badderbakje voor vogels
Broedplaatsen voor vogels
Nestkasten voor holenbroeders
Nestkast voor de Boomkruiper
Nestkasten voor halfholenbroeders
Neststenen voor zwaluwen
Soorten

Vogeltrek
Eén van de meest bijzondere natuurverschijnselen is de trek van vogels. Op sommige plaatsen in Europa, zoals in Zuid-Zweden of bij Gibraltar kunnen op goede trekdagen miljoenen vogels overvliegen.

Vogels trekken om de koude winters te ontlopen. Vooral de schaarste aan voedsel is de reden waarom veel vogels de winter hier niet kunnen overleven. Zo trekken bijna alle vogels die insecten eten. Alleen de insectenetende mezen kunnen de winter hier overleven; zij eten in de winter ander voedsel. Daarnaast kunnen mezen heel goed stilliggende eitjes en poppen van insecten tussen de schors vinden.

Wegtrekken is niet altijd voordelig. Onderweg gaan veel vogels dood. Tijdens zachte winters zijn de vogels die blijven in het voordeel. Maar tijdens zeer strenge winters hebben deze het moeilijk. Zo kan de blijvende Winterkoning na een strenge winter zeldzaam zijn geworden.

Het lijkt alsof vogelsoorten die het hele jaar aanwezig zijn, niet trekken. Dit is niet altijd juist. Een aantal soorten, zoals Buizerds maar ook Roodborstjes en Heggemussen, verlaten Scandinavië om hier te overwinteren.

Grote groepen vliegende vogels zijn niet altijd op trek. Zo zijn vluchten ganzen in de ochtend en de avond geen trekvluchten, maar verplaatsingen van de slaapplaats naar de plek waar ze eten en vice versa.

Soorten die hier alleen broeden heten broedvogels. Vogelsoorten die hier alleen in de winter zijn, zoals Sijzen en Kolganzen, heten wintergasten. Vogels die hier in het voor- en najaar zijn, op weg van winterverblijf of broedgebied, heten doortrekkers. En zij die hier broeden en 's winters aanwezig zijn, heten standvogels.

De meeste vogels durven niet over grote watervlakten te vliegen. Grotere vogels, met een zweefvlucht zoals Buizerds, kunnen slecht boven water vliegen omdat daar geen thermiek is. Kleinere vogeltjes durven grotere wateren niet over te steken, eenvoudig omdat ze bang zijn de overkant niet te halen. Daardoor zijn er voor de soorten die naar Afrika trekken twee belangrijke trekroutes vanuit Europa: één over Gibraltar naar West-Afrika en één over Turkije naar Oost-Afrika. Zo overwintert de Fitis hoofdzakelijk in West-Afrika, deze soort vliegt over Spanje. De Braamsluiper overwintert in Oost-Afrika en vliegt over Turkije.

Trekkende vogels kunnen spectaculaire afstanden afleggen. Zo vliegen de kleinere vogeltjes, zoals vliegenvangers, non-stop in circa vier dagen 2500 km naar het Iberisch schiereiland. Hier blijven zij een aantal dagen om aan te sterken. Daarna vliegen zij in één keer de Sahara over, om in westelijk Afrika te overwinteren. Hiervoor hebben zij veel energie nodig. Vlak voor de trek is het gewicht van een vogel ongeveer het dubbele van het normale gewicht.

Vogels kunnen zich tijdens de trek op veel manieren oriënteren. Overdag trekkende vogels letten vooral op de zon. 's Nachts trekkende vogels oriënteren zich met behulp van de sterren en/of het aard-magnetische veld (te vergelijken met een kompas).

Vogels trekken niet alleen naar het zuiden. Sommige soorten vliegen bijvoorbeeld naar het westen. Zo overwinteren veel Spreeuwen in Engeland en komen veel Koperwieken uit Siberië. De Koperwiek is in de winter de vogel die van het verst weggelegen gebied komt. In de zomer is dat waarschijnlijk de Gierzwaluw. Deze overwintert in Zuidelijk-Afrika en Madagaskar.