Tuindieren voor dieren: Veelpoten

terug

De levenscyclus van spinnen
Waarmee worden spinnenwebben gesponnen?
Verschillende spinnen, andere webben
De bouw van hooiwagens
Levenswijze van hooiwagens
De levenswijze van duizend- en miljoenpoten
Pissebedden: kreeften op het droge
De bouw van een pissebed
Levenswijze van pissebedden
Soorten

Verschillende spinnen, andere webben.
Enkele spinnensoorten maken geen web om een prooi te vangen. Ze gaan overdag actief naar prooien op zoek, zoals de springspinnen waaronder de Huiszebraspin of de wolfsspinnen. Andere soorten wachten af tot de prooi langskomt. Deze soorten kunnen zich goed verstoppen of verkleuren zelfs totdat ze dezelfde kleur hebben als de achtergrond. Renspinnen doen dit bijvoorbeeld.

Sommige spinnen maken een 'web' rondom een schuilplaats zoals gaten in muren, schuttingen of in boomschors. Nachtkaardespinnen, zoals de Muurkaardespin, leggen het spinsel geheel rondom deze schuilplaats. Als deze kaardespin langere tijd op één plek zit, ontstaat er een warboel aan draden. Aan vingers blijven deze niet kleven, maar wel aan voorwerpen met kleine haakjes, zoals kleren of insectenpoten. Ook trechterspinnen, zoals de Gewone huisspin, leven in een hol. Zij leggen het spinsel niet rondom de uitgang van het hol maar in een min of meer driehoekige 'trechtervorm'. Ook hangmatspinnen, zoals de Herfst- en de Tuinhangmatspin, maken een mat van spinsel. Deze bevindt zich echter meestal in struiken of bomen en de spin zit aan de onderkant van de mat.

Een aantal spinnen maakt geen echt web, maar legt een aantal draden neer. Zo spinnen trilspinnen, zoals de Grote trilspin, binnenshuis onsamenhangende draden waarmee ze in ieder geval een hoop stof, maar soms ook muggen of andere spinnen vangen. Kogelspinnen, bijvoorbeeld de Gewone tandkaak, leggen de draden min of meer willekeurig over struiken heen. Hierdoor ontstaat een dichte wirwar van allerlei draden. Deze draden zijn lastig te zien; alleen bij dauw of door de nevel van de plantensproeier worden ze zichtbaar.

Vooral veel grote spinnensoorten maken 'echte' webben, 'wielwebben' genaamd. Strekspinnen maken bijvoorbeeld zo'n wielweb. Deze webben hebben in het midden een opening. Doorgaans bevindt de spin zich in deze opening. Voorbeelden hiervan zijn de Herfstspin en de Gewone strekspin.

Ook de echte wielwebspinnen, zoals de Kruisspin en de Venstersectorspin, kunnen prachtige webben maken. Deze spinnen zitten niet in het web, maar er schuin boven verstopt. Ze hebben een speciale draad gesponnen om te kunnen voelen of het web beweegt. Deze draad heet de seindraad. Je kunt ze uit hun schuilplaats lokken door een stemvork tegen het web aan te houden. Door de trilling van de stemvork denkt de spin een insect gevangen te hebben en komt te voorschijn. Het midden van het web is ook dichtgemaakt. Bij de Kruisspin is het web geheel rondom gesponnen. Bij de Venstersectorspin is in de hoek waar de seindraad heen loopt, een driehoekige, onbesponnen ruimte.